Für Elise

Für Elise

Au, mijn hoofd. Waar ben ik?’ Voorzichtig draait Ludwig zich om en staart naar het plafond. Zijn hersenen vullen zich langzaam. Een feestende menigte tekent zich af op het plafond. Vrienden, medestudenten, zoenen, felicitaties. ‘Gefeliciteerd Ludwig, we nemen er nog een op je!’, ‘Proost, Lud! Neem er zelf ook een.’ Dan opeens haar hand op zijn schouder: ‘Gefeliciteerd Ludwig en succes verder. Ik ga nu, het was gezellig.’ Hij kijkt haar na als ze naar de deur loopt. Ludwig doet zijn ogen dicht, ze blijft op zijn netvlies hangen. De rest vervaagt. Het begint zachtjes te waaien. Haar blonde haar golft om haar fijne gezicht. Hij wil zijn neus in haar haar steken, haar aanraken, vasthouden, maar hij beweegt zich niet. Zijn armen zijn loodzwaar. Dan schrikt hij weer wakker.

Vijf jaar, drie maanden, twee weken en een dag geleden heeft hij haar voor het eerst ontmoet. Zijn eerste jaar op het conservatorium. Hij hangt aan de bar, zij komt binnen. Hij knikt, zegt niets. Pas laat op de avond durft hij te vragen hoe ze heet. ‘Elise’, zegt ze, terwijl ze langs hem heen kijkt. Die nacht beginnen de dromen met loodzware armen.

 

‘Hallo, jij hier?’ Zijn winkelwagentje botst bijna tegen die van haar. Ze knikt: ‘O, hallo.’ Even staan ze tegenover elkaar. Ze buigt zich naar hem toe. ‘Mag ik even bij de suiker?’ Ze knikt naar de plank achter hem. Hij doet een stap opzij, bedenkt zich en stapt terug, pakt een pak suiker en geeft het haar. ‘Dankjewel.’ Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar sluit die weer. ‘Heb je al werk?’ vraagt ze. Hij schudt zijn hoofd. ‘Jij?’ ‘Nee, ik moet nog twee jaar.’ ‘Twee jaar?’ ‘Ja.’ ‘Twee jaar wat?’ ‘Ik moet nog twee jaar studeren.’ ‘O ja, natuurlijk.’ ‘Nou, dag.’ ‘Ja, dag.’

Terwijl hij verder loopt, neemt hij een besluit. Hij gaat een stuk voor haar componeren. Alleen voor haar, Elise. Innig tevreden loopt hij de winkel uit, naar zijn kamer om de boodschappen af te leveren en dan meteen door te gaan naar zijn stamkroeg. Dit moet hij vieren.

 

‘Ludwig?’ Vanuit de verte klinkt vaag een bekende stem. ‘Hé Ludwig, kom op man, je moet naar huis.’ Jochem? Ja, dat moet Jochem zijn. Naar huis? ‘Kom op Lud, lopen man.’ Ludwig laat zich van zijn kruk glijden en voelt de arm van Jochem om zijn rug. De wereld draait, hij moet even weer gaan zitten. ‘Nee Lud, kom op nou, niet gaan zitten. Lopen, man.’ Hij wil protesteren, maar zijn tong is dik. Dan is hij buiten, de koude wind op zijn gezicht. Hij moet nu toch echt even zitten. Maar Jochem blijft vervelend doen. Kletst aan een stuk door. Dan komt zijn maag in opstand. Hij braakt op de stoeprand. Dat lucht op. Hij boert. Jochem praat alweer: ‘Niet gaan zitten Ludwig. Kom mee, je bent bijna thuis.’ Bijna thuis? Hij kijkt op, het is donker. Hij ziet niets.

 

Veel te felle zon, dat is het eerste dat hij merkt. Hij draait zich om. De muur blijft draaien. Hij doet zijn ogen weer dicht. Ook daar draait alles: Elise in de supermarkt, de kroeg. Hoe is hij thuis gekomen? Dan de stem van Jochem, houdt die man nooit op met praten?

‘Man, ik dacht dat je nooit weer bij zou komen. Je was helemaal van de wereld.’ Jochem ijsbeert door de kamer. Ludwig wil dat hij stopt. Hij opent zijn mond, maar er komt geen geluid. Het monotone praten van Jochem dreunt in zijn hoofd. Als een mars. Langzaam zakt Ludwig weg, de mars dreunt door. Hij ziet Elise. Ze wijst naar de suiker, buigt zich voorover, tot vlak bij zijn gezicht. Ze ruikt naar bloemen. Hij slikt moeizaam, marsmuziek klinkt op de achtergrond. Flarden van Jochem’s stem.  ‘Zo gaat het niet langer, man. Blijf uit de kroeg en ga aan het werk. Rust en regelmaat, zei mijn oma altijd. Je moet een baan hebben, man.’ Elise vervaagt. Ludwig doet zijn ogen open en komt een beetje overeind. Hij ziet dat Jochem met een vel papier wappert en voelt hoe hij hem een pen in zijn handen drukt. ‘Teken nou maar. Het betaalt goed. En het werk is voor jou een peulenschil.’ ‘Wat voor werk…’ brengt hij moeizaam uit. Voor het eerst lijkt Jochem geïrriteerd: ‘Ja, wat vertel ik je nou allemaal! Ik help je man, teken nou maar.’ Zuchtend zet Ludwig zijn handtekening. Hij laat zich weer achterover zakken en sluit zijn ogen.

 

‘O, pardon.’ ‘Nee, mijn fout.’ De winkelwagentjes botsen tegen elkaar. ‘Hé, Ludwig!’ ‘Elise!’ Het gaat zo snel dat hij geen tijd heeft om te blozen. ‘Je ziet er goed uit.’ Met zijn hand strijkt hij langs zijn gladgeschoren kin. ‘Dank je. Wat doe je tegenwoordig? Studeer je nog?’ Ze haalt een hand door haar goud-glanzende haar. Hij zucht onhoorbaar. ‘Nee, ik ben vorige week afgestudeerd. En jij? Componeren?’ Zijn hand zoekt steun bij het winkelwagentje. ‘Nee, ik heb een baan.’ mompelt hij. Hij wil haar vertellen dat hij een stuk voor haar heeft gecomponeerd. In plaats daarvan zegt hij: ‘Bij een telefoniebedrijf. Ik ontwerp ringtones.’ En dan zachter: ‘Elise, ik heb muziek geschreven voor jou. Omdat…’ Opeens klinkt het door de winkel: zijn Für Elise. Het komt uit haar jaszak en wordt steeds luider. ‘Sorry, telefoon.’ verontschuldigt ze zich terwijl ze de telefoon uit haar zak haalt. Ze kijkt naar haar mobieltje, drukt een toets in en houdt het apparaat voor haar oor. De melodie stopt abrupt. Haar zachte stem: ‘Hallo, lieverd. Ik dacht wel dat jij het was. Hoe gaat ie?’ Ludwig draait zich langzaam om en loopt weg.

ISBN-10: 90-75665-96-2
ISBN-13: 978-90-75665-96-3

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002