Graf robbenjager

De robbenjagers van Westernieland
‘Zeehonden vangen was zijn werk’
Soms schuilt achter een onopvallend graf een opvallend tijdsbeeld. Zoals bij de graven van de robbenjagers op de begraafplaats bij het kerkje in Westernieland.

Het dorp ligt helemaal boven in Groningen, aan de Waddenzee, en telt nog geen tweehonderd inwoners. Rondom het kerkje is een begraafplaats met zo’n twintig graven. De koude wind heeft er vrij spel en wie over de begraafplaats wandelt, kan heel ver kijken. De begraafplaats is niet meer in gebruik. Een paar honderd meter verderop is een nieuwere.

Premiejagers
Een van de begraven overledenen bij de kerk is Tjark Derks Visser. Hij leefde van 1 oktober 1779 tot 24 juli 1871. Hij overleed honderd jaar voordat Lenie ’t Hart in Pieterburen haar zeehondencrèche oprichtte in het naburige Westernieland. Een markante man, van beroep: robbenjager.
Hij was niet de enige. Tot ongeveer halverwege de vorige eeuw was robbenjager een gangbaar beroep. Op het doodmaken van een zeehondje stond een premie. De huid en traan van de dieren werden verkocht en hun vet werd onder meer gebruikt in de verf- en zeepindustrie. Pas in 1978 trad het Robbenverdrag (Convention for the Conservation of Antarctic Seals, CCAS) in werking, al was de commerciële robbenjacht toen al gestopt. Voor het doden van zeehonden is nu een vergunning nodig. 

Leunstoel
De website van Westernieland vermeldt waar Visser woonde, dicht aan het Wad. Vanaf het dak van zijn huis kon hij de Waddenzee goed zien. Daarom stond er altijd een ladder tegen de gevel en een leunstoel op de schoorsteen. Als het stormde, ging hij in die stoel zitten, met een verrekijker in zijn hand. Zodra hij een schip in nood zag, nam hij zijn boot en ging erop af. Niet duidelijk is of hij hulpverleende of andere redenen had om er naartoe te varen.
Op de grafzerk van Tjark Derks Visser zijn twee zeehonden gebeiteld, zwemmend in de golven van de Waddenzee. Daarachter vaart een roeiboot met twee mannen erin. Eén aan het roer en één aan de roeiriemen. Niet meer goed leesbaar is de tekst: 
‘Tot aan zijn vijfenvijftig jaren/Heeft hij de wadden steeds bevaren/Zeehonden vangen was zijn werk/Bij vlijt en zuinigheid zoo sterk/Om zesendertig jaar alhier/Te leven als oud rentenier’.

Sterk
Visser’s zoon Jakob Tjarks Visser (1816-1873), ook robbenjager en wellicht de tweede man in het bootje op de zerk van zijn vader, is een eindje verderop begraven. De tekst op zijn zerk luidt: ‘Ik was schipper op het Wad/En ontzag geen koud of nat/Daar ging ik menig zeehond slagen/Daar redde ik mensen van den dood/Totdat een ziekte op kwam dagen/En mij de dood mijn oogen sloot/Zwak mag de sterke heeten/Ik scheen zeer sterk te zijn/Het is mij gebleken/De sterkte is slechts schijn’. Een zeehondje met daaroverheen een groot anker siert de steen.
Wie de begraafplaats verlaat en nog één keer omkijkt, ziet in de verte de graven van de robbenjagers. Op de voorgrond, net buiten het kerkhof, staat een bordje met een pijltje naar links. ‘Zeehondencrèche Pieterburen’ staat erop.

Jagen, vertroetelen of evenwicht bewaren

De manier waarop mensen met zeehonden omgaan, verschilt door de jaren heen. De zeerobbenjagers van Westernieland maakten ze dood, verzorgers in de zeehondencrèche in Pieterburen verzorgen ze en veel vissers zouden de zeehondenpopulatie graag zien krimpen. De Vissersbond wees in 2016 de zeehonden aan als belangrijkste oorzaak van de lage visstand in de Waddenzee. En al is die conclusie omstreden, een wetenschappelijke commissie, ingesteld door de overheid, stelde begin vorig jaar dat het opvangen van zeehonden niet noodzakelijk en soms zelfs schadelijk is om de soort in stand te houden.

 

(Gepubliceerd in Vakblad Uitvaart)

 

  

 

 

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002