Hij houdt van me, hij houdt niet van me

Hij houdt van me, hij houdt niet van me

Het is een warme dag geweest. Broeierig, denkt ze, terwijl ze het raam dicht doet. Het begint te waaien en straks zal het onweer wel losbarsten. Ze kijkt over het grasveld naar het fietspad met aan weerszijden de ruisende bomen.

Een eenzame fietser trapt pal tegen de wind in. Iedere keer als hij een trapper naar beneden duwt, ziet ze zijn gespierde been door zijn witte broek. Donkere krullen wapperen om zijn gebruinde gezicht. Zijn roze T-shirt vertoont zweetplekken onder de oksels. Ze zucht zachtjes en slikt.

Als ze hem al lang niet meer kan zien, staat ze nog bij het raam. Hij houdt van me. Hij houdt niet van me. Eén voor één plukte ze de blaadjes van de stengel. Ze glimlacht als ze denkt aan die andere warme dag. Loom liggend naast elkaar in het hoge gras langs de slootkant. De zon in haar gezicht. Haar ogen gesloten en heerlijk doezelend, terwijl ze zich toch heel erg bewust was van zijn aanwezigheid. Hand in hand lagen ze een hele poos doodstil. Het leek wel of de vogels het zelfs te warm vonden om te fluiten. Hij fluisterde heel zachtjes haar naam en het volgende moment voelde ze zijn warme lippen. Hij houdt van me. Hij houdt niet van me. Weer zucht ze. Hoe lang is het geleden?

Ze schrikt als de deur open gaat. “Ach, nee toch! Nou heb je het wéér gedaan”, klinkt een mopperende vrouwenstem. Ze kijkt naar de vensterbank, waar de blaadjes van de rode geranium liggen, naast de kaalgeplukte plant. “Sorry mam”, mompelt ze verstrooid. Hij houdt van me. Hij houdt niet van me. “En waar blijf je nou? Het eten staat al op tafel.” Ze veegt de blaadjes een beetje bij elkaar en loopt naar de deur. In de gang komt de geur van gebraden vlees haar tegemoet.

 

Langzaam brengt ze de vork naar haar mond. De witte broek en het roze T-shirt staan hem goed. Nog beter dan de beige broek en het rode overhemd, die keer bij de slootkant. Zelf droeg ze een blauw-wit gestreepte jurk, met een ritsje aan de voorkant. Langzaam schoof hij de ritssluiting open en zoende haar heel lang op de mond. Ze neemt een hap van haar draadjesvlees. Zijn lippen smaakten zoutig. Ze maakte een paar knoopjes van zijn overhemd los en keek een beetje angstig om zich heen. Met zijn hand aaide hij zachtjes over haar borst. Ze voelde hoe haar tepel hard werd, ondanks de warmte. “Kan niemand ons hier zien?” fluisterde ze terwijl hij haar rok omhoog trok en met zijn andere hand zijn broek los maakte.

Ze schuift het bord van zich af. “Wil je niet meer? Kom op, even je bord leeg eten, hoor!” De volgende dag maakte hij het uit en nog een dag later kwam ze hem tegen, innig gearmd met haar beste vriendin. Ze schudt haar hoofd. “Nee, ik wil niet meer eten.” Wekenlang kreeg ze bijna geen hap door haar keel.

“Je hebt toch geen liefdesverdriet?” Bulderend gelach. Ze schuift het bord nog iets verder weg. Ach, weten zíj veel? Het duurde veel langer dan anders voordat ze ongesteld werd. Hij maakte het ook weer uit met haar vriendin, die haar vriendin niet meer was. Kort daarna verhuisde hij naar een andere plaats. Een jaar lang had ze hem niet meer gezien, toen ze hem pardoes tegen het lijf liep, in de stad. “Wat doe jij hier?” vroeg hij. Alsof het zíjn stad was.

 

Ze nestelt zich met een kop thee bij het raam. Het is nog steeds benauwd. De onweersbui is overgetrokken zonder veel verkoeling te brengen. De wind is gaan liggen en het schemert al een klein beetje. Ze houdt van deze tijd van de dag, als de zon langzaam begint te zakken. Het gerommel met borden in de keuken, iedereen bezig met zijn eigen dingen. Het journaal op de televisie, haar vader knikkebollend en af en toe zachtjes snurkend op de bank.

De fietser met de witte broek en het roze T-shirt komt nu weer langzaam dichterbij. Na die eerste keer in de stad zagen ze elkaar vaker. Onweerstaanbaar is hij. Zijn strakke, witte broek schijnt een beetje rood op in het avondlicht. Zijn haar lijkt nu nog donkerder. De zweetplekken maken hem alleen maar meer sexy. Hij fietst door tot hij vlak bij haar is. Ze houdt even haar adem in. Hij heeft zijn fiets op de grond laten vallen en samen rennen ze naar de slootkant en laten zich weer in het hoge gras vallen. Zwaar hijgend gaat hij op haar liggen. Ze voelt de natte warmte in haar schoot.

Ze schrikt als de deur open gaat. “Ik kom even… Ach, je hebt thee gemorst.” Met een vinnig gebaar wordt het lege kopje uit haar hand getrokken. “Sorry mam”, mompelt ze en strijkt onhandig over haar natte rok. Buiten is de zon bijna achter de horizon gezakt en zet de wereld nu helemaal in een rode gloed. De fietser is verdwenen. Er is alleen nog het gras. Gras en leegte. Ze trekt een blaadje van de geranium. Hij houdt van me. Hij houdt niet van me.

“Laat die planten nou toch eens staan. Trek liever je natte rok uit.” Weer dat gesnauw. “Sorry mam”, mompelt ze en maakt de rits van haar rok los. “Ik bén je moeder niet. Doe je nachtpon maar vast aan. Het is toch bijna bedtijd.” De vrouw ratelt maar door en pakt een ritselende plastic zak. “Ik doe je rok in deze zak. Morgen komt je kleindochter. Die brengt hem wel even naar de stomerij.”

ISBN: 978-90-78215-90-5

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002