Mijn laatste dag

Mijn laatste dag

Het is nog erger dan toen. Ik adem diep in en wandel stevig door. De winter van veertien jaar geleden was ook heel streng. Auto’s strandden, het openbaar vervoer lag plat en telefoonverkeer was nauwelijks mogelijk. Ik ploeter tegen een heuveltje op en laat me aan de andere kant naar beneden glijden. ’s Zomers is het hier paars van de heideplantjes maar nu is alles wit. Ik ben hier vaak geweest met Sofietje. Ik merk dat ik glimlach. Heerlijk vind ik het om met mijn dochter op het sleetje door de sneeuw te lopen. Altijd dolle pret. Zelfs toen ze zo’n last had van een tand die doorkwam, werd ze helemaal vrolijk van de sneeuw. “Sneller mama!”, riep ze. Ik kijk eens goed om me heen.

Het is nog vroeg. De hele nacht heeft het gesneeuwd. Nergens zijn voetstappen te zien, alleen hier en daar afdrukken van reeën en vogels. In de verte zie ik het ven. De zon breekt voorzichtig door de nevel. Ik loop stevig door. Sofie is een echt vaderskindje en hij noemt haar ‘mijn oogappeltje’. Jaloers ben ik daarop nooit geweest. Wel was ik kwaad, na die winter van veertien jaar geleden. Ik heb hem uitgemaakt voor alles wat slecht is, steeds maar weer. Toen hij eindelijk ergens anders woonde, voelde ik alleen opluchting. “Ik ga”, zei hij en sloot zachtjes de voordeur achter zich. Dat was alles. Ik gooide een schoen tegen de deur. De laatste maanden dat we bij elkaar woonden waren een hel. Als we elkaar niet doodzwegen, maakten we ruzie. Ik bijt even op mijn lip. Eigenlijk kwam het erop neer dat hij zweeg en ik ruzie maakte. Ik haal heel diep adem en concentreer me op de omgeving.

 

Het is alsof ik door een kerstkaart wandel. Er ligt een dun laagje ijs op het water. Ik loop over het smalle pad, langs het vennetje. Hoge grashalmen ritselen zachtjes in de wind. Een hele poos blijf ik staan. Het is doodstil. Voor me ligt de bevroren plas, achter me het witte heideveld.

Dan voel ik hoe koud mijn tenen zijn. Ik stamp een paar keer stevig op de grond. Opeens glijdt de sneeuw onder me vandaan en even later lig ik een meter lager, aan de rand van het ijs. Mijn linkerbeen klapt hard op een boomstam. Ik zie sterretjes en voel een felle, stekende pijn in mijn bovenbeen. Even blijf ik doodstil liggen. De pijn blijft maar wordt hanteerbaar, zolang ik me maar niet beweeg. Langzaam strek ik mijn hand uit naar een tak, schuin boven me. De steken in mijn been worden scherper. Ik heb het opeens warm, heel warm. Eindelijk lukt het me de tak vast te pakken. Voorzichtig trek ik me een eindje op. Ik schreeuw van de pijn. De tak knapt af.

Wat moet ik nu doen? Ik probeer de paniek onder controle te houden. Mijn mobieltje, denk ik opeens. Natuurlijk, ik moet een alarmnummer bellen. Voorzichtig trek ik een handschoen uit en rits moeizaam mijn jack open. Klappertandend peuter ik het ding uit mijn binnenzak. Het zweet stroomt over mijn gezicht. Raar, denk ik nog, klappertanden en zweten tegelijk. Ik klap de gsm open en druk op de toetsen. Mijn been steekt vreselijk, mijn handen trillen. Er verschijnt niets op het schermpje en ik druk steviger. De volgende seconde glijdt het mobieltje uit mijn handen. Ik probeer hem meteen weer op te vangen maar daardoor sla ik hem juist weg. Een eindje verderop blijft hij liggen in de sneeuw op het ijs. Tranen van woede en wanhoop springen in mijn ogen. Ik kan nu alleen nog maar hopen dat er iemand langs komt die me ziet.

 

Koude voeten heb ik. Zachtjes gaat de achterdeur open. “Ien, toe nou. Dit heeft geen zin. Je staat met je blote voeten in de sneeuw. Hiermee krijg je Sofie niet terug”, klinkt het smekend. Ik val op zachtaardige mannen. Nu irriteert zijn zachtaardigheid me mateloos. Ik gil: “Hou op met je ge-ien! Ik krijg Sofie toch niet terug. Nooit meer! Omdat jij haar vermoord hebt.” Terwijl ik een scheldkanonnade laat volgen, klikt Jan de deur zachtjes dicht. Ik ben terug bij het vennetje. Ik kan mijn armen en benen niet meer bewegen. Eigenlijk heb ik het niet eens koud. Ik voel niks. Alleen het felle licht van de sneeuw en de zon doen pijn aan mijn ogen. Als ik ze dicht doe, zie ik paarse en oranje vlekken.

Steeds meer oranje. Geruis in mijn oren. Ik hoor de zee. Het lijkt wel of ik boven het strand zweef. “Nóg groter papa! Nog meer zand”, hoor ik. Sofie draagt emmertjes zand aan en Jan bouwt een zandkasteel. “Nee joh, het is nu wel groot genoeg. Kom even lekker zitten, dan krijg je een beetje drinken.” Ze zitten samen op een badlaken en bewonderen het kasteel. “Mama moet het ook zien”, vindt Sofie. “Mama heeft hoofdpijn, van de vliegreis. Ze ligt nu even op bed. Straks gaan we haar halen.” Sofie knikt en gaat tegen Jan aanhangen. Binnen een minuut slaapt ze. Een hele poos liggen ze samen op de handdoek.

Veertien jaar geleden vlogen we naar een Tropisch eiland, om kerstvakantie te houden. We waren net op tijd bij het vliegveld na een tocht door sneeuwduinen, langs gestrande auto’s en over gladde wegen. Het vliegtuig vertrok uren te laat. Geradbraakt kwamen we aan. Jan ging meteen met Sofie naar het strand en ik dook met hoofdpijn in bed.

Jan en Sofie liggen nog steeds op de handdoek. Zijn hand ligt beschermend om haar heen. Hij wil niet slapen maar het gebeurt toch. Ik zie dat Sofie even later wakker wordt en de zee inloopt. Ik wil roepen, schreeuwen, gillen, maar ik kan me niet bewegen. Ik lig bij het bevroren ven. Ik moet Jan bellen. Zeggen dat het me spijt, dat ik eindelijk begrijp hoe het kon gebeuren. Ik zie mezelf liggen. En mijn mobieltje. Iemand belt me. Ik lees de naam op het schermpje. Het is Jan.

ISBN: 978-90-78215-95-0

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002