Onbereikbaar

Onbereikbaar

Met een klap zette hij de fles op de tafel. Buiten begon het te schemeren. Hij stond op, sloot de gordijnen en ging weer in zijn luie stoel zitten. Hij nam een slok jenever.

Een week was hij nu hier.

O, de kinderen hadden vast wel gelijk gehad toen ze zeiden dat hij niet langer op zichzelf kon wonen. Hij had al een paar keer melk over laten koken, omdat hij vergeten was dat hij melk op het gas gezet had. En hier zou hij ook meer gezelschap hebben dan in zijn eigen huisje, zeiden ze. Hij moest zijn beide handen dicht knijpen.

Hij zuchtte. Hij had daar inderdaad maar weinig contact gehad met zijn buren. Allemaal werkende jongelui. Maar hier was het ook niks. Laatst stond er opeens een verwilderd mens voor zijn deur. In een knalrood broekpak. Ze was zijn nieuwe buurvrouw, zei ze. En aan de andere kant woonde een man die stokdoof was.

Hij dronk zijn glaasje leeg en staarde voor zich uit. Morgen zou hij dan toch maar naar de koffieochtend gaan, beneden, in de zaal.

 

Op de drempel bleef hij staan. Hij keek de koffiezaal rond. Door de ramen scheen een waterig zonnetje over de tafels en stoelen. In een hoek stond een tafel met een grote koffiepot en kopjes.

Hier en daar zaten wat mensen. Zou hij zich aan al die mensen voorstellen? Dat was immers de reden geweest om hier heen te gaan.

Nee, hij zag er toch maar van af. Hij zou toch niet alle namen kunnen onthouden en dat zou later alleen maar verwarring scheppen.

Hij slofte naar de grote zithoek in het midden. Een man was bezig zijn pijp te stoppen. Die keek op toen Gerrit vlak bij hem was.

‘Goedemorgen, u woont hier nog maar kort, is ’t niet?’ Hij stak zijn hand uit. ‘Van Vliet is de naam, Jan van Vliet.’

‘Gerrit Braam’ zei Gerrit. Hij ging tegenover de man zitten. Ze zwegen.

Bij het raam zaten vier vrouwen. Het bleke zonlicht viel precies op haar haren.

Hij knipperde met zijn ogen.

‘Lastig, he? Die zon.’ Van Vliet gebaarde naar het raam. ‘Wilt u aan deze kant zitten, met uw rug naar de zon?’

‘Nee! Nee, dank u.’ De kleur van haar haar deed hem denken aan mist boven de hei.

‘Bent u al een beetje gewend? Het duurt even voor je iedereen kent, he?’

De zon verdween. Het haar werd wit.

Hij knikte. ‘Ik heb nog maar weinig mensen ontmoet.’ Ze keek toevallig even zijn kant op en knikte ook. Grote, blauwgrijze ogen.

‘Ach, als je iedereen zo’n beetje kent, gaat er wel weer één dood.’ Jan van Vliet lachte om zijn eigen grapje.

Hij kon zijn blik moeilijk losmaken van het raam. Hij keek even naar buiten.

‘Er gaat hier om de haverklap één dood.’ vervolgde van Vliet.

De vrouwen stonden op en liepen naar de koffietafel. Hij rook een vage parfumlucht, toen ze langs hem liep.

 

‘s Avonds betrapte hij zich erop dat hij neuriede, terwijl hij zijn glaasje jenever inschonk. Hij gedroeg zich als een verliefde puber.

Maar Marga was gewoon erg aantrekkelijk.

 

Hij trok zijn kamerdeur achter zich dicht en draaide zich om, om naar de lift te lopen.

‘Goedemorgen, Gerrit.’ Hij schrok van een bekende stem.

‘Marga! Goedemorgen.’

Samen liepen ze de gang door. Nu zou hij haar kunnen vragen. Of beter straks?

‘Ga je ook met de lift?’

Ze knikte.

Bij de lift aangekomen liet hij haar voorgaan. Op de achterwand was een poster bevestigd. Er werd een avond met operettemuziek aangekondigd. Nu moest het gebeuren!

‘Houd je van operettemuziek?’ vroeg hij, met een schuin knikje naar de poster. ‘Er komt een operettekoor.’ Hij probeerde het als een terloopse opmerking te laten klinken.

Samen met Marga naar een concert! Hij zou een fles advocaat kopen. Daar hield ze vast van. Na afloop van het concert zouden ze nog even naar zijn kamer kunnen gaan.

‘O, ja! Ik ben gek op operette. Dit koor komt elk jaar.’

Ze zouden eindelijk eens kunnen praten. Hij zou haar kunnen vertellen over zijn eenzaamheid. En hoe ze samen verder zouden kunnen gaan. De lift stopte op de eerste verdieping.

‘Goedemorgen! Ha, Marga.’ Haar vriendin stapte in. Ze keek naar de poster.‘

‘O, kijk! Het operettekoor. Wanneer komen ze?’

‘We hadden het er net over.’ antwoordde Marga, ‘Gerrit vroeg of wij ook gaan.’

‘Natuurlijk gaan we. We gaan elk jaar.’ richtte ze zich tot hem.

De lift stopte. Ze stapten uit. Hij liep, achter de vrouwen, de zaal in.

Zij gingen naar hun vaste tafeltje.

Hij liep naar Jan van Vliet.

 

Hij nam een slok jenever. Het smaakte hem niet. Hij stond op, liep naar de wastafel en gooide zijn glaasje leeg.

Toen legde hij zijn donkere pak over de stoel, voor morgen. Hij deed het licht uit en ging naar bed.

 

Door een raam, ergens hoog in de ruimte, scheen een smalle reep zonlicht naar binnen. Het deed hem denken aan de koffiezaal. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen en probeerde zich te concentreren op de spreekster.

‘Moeder was een bijzondere vrouw.’

Ja, dat kon je wel zeggen. Wat zou hij het haar graag gezegd hebben.

Hoewel…zou het iets uitgemaakt hebben? Hij zag haar gezicht voor zich.  ‘Gerrit,’ zei ze, ‘ik wil niets liever dan met jou verder.’

Drie rijen voor hem zaten haar vriendinnen. Verbeeldde hij het zich, of was er, naast verdriet, ook een klein beetje het gevoel van een overwinning? Jou hebben we toch maar overleefd.

Hij schudde die gedachte van zich af.

Marga’s dochter was klaar met haar toespraakje. Er klonk zachte operettemuziek.

Stuitend, vond hij. Veel te vrolijk. Bij operettemuziek dacht hij aan heel andere dingen.

Even voelde hij een steek in zijn borst. De mensen gingen staan. Hij stond ook op.

De muziek klonk iets luider.

Hij kuchte.

De kist schoof langzaam achteruit.

‘Vaarwel, lieve Marga.’ mompelde hij.

‘Kom!’ Jan van Vliet stond naast hem. ‘Tijd voor een pijpje.’ 

ISBN: 90-75665-73-3

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002