Kattenkwaad

Kattenkwaad
Het begon met een insect. Ik was zo’n knulletje met een eeuwige snottebel onder zijn neus. Ik vond niets leuker dan struinen, achter bij de sloot, om dan insecten te vangen. Een voor een trok ik de vleugeltjes eraf.
Ik herinner me de eerste keer dat ik een libel ving. Ik bewaarde hem een poosje in een glazen pot maar al snel móest ik ermee aan het werk. Ik pikte lucifers van mijn moeder. Zorgvuldig pakte ik de libel bij de uiteinden van de vleugels en hield ik het lijfje steeds dichter bij het vlammetje. Dat sidderde, steeds heftiger, en daarna was er de geur van geroosterd vlees.
Insecten werden me al snel te klein en ik ving grotere dieren. Kikkers, muizen, adders. Ik werd steeds vindingrijker. Behalve met een vlammetje kun je ook erg leuke dingen doen met een aardappelschilmesje en glasscherven. Of met een schaar. Als je de staart van een muis afknipt, rent hij weg en laat een rood stippellijntje achter. Geinig. Ik wilde steeds meer, steeds groter.
 
Het begon met een veldmuisje. Nadat de wekker drie keer was gegaan, was het haar uiteindelijk gelukt om op te staan. Eerst koffie, besloot ze, en trok het keukenkastje open. Vanachter het koffieblik keek hij haar aan. Ze smeet het deurtje dicht en gilde.
Het werd tijd voor een kat, besloot ze. Haar vriend had haar in de steek gelaten. Ze voelde zich eenzaam en vreselijk zielig. Elke dag sleepte ze zich met tegenzin naar haar werk en kwam met nog grotere tegenzin weer thuis. Met een kat zou het vast gezelliger worden. En dat katten muizen vangen, was mooi meegenomen.
Die zaterdag fietst ze naar het asiel. Ze loopt langs de kooien en vindt ze allemaal te mager, te dik, te harig of te kaal. Een jongen mest de hokken uit. “Kijk maar rustig even rond”, had hij gezegd toen ze binnenkwam. Ze gaat op een bankje zitten en vraagt zich af of ze wel genoeg van katten houdt. De jongen komt naast haar zitten en draait een sjekkie. “We hebben nog een heel leuk poesje”, zegt hij. “Maar die is al aan iemand anders beloofd. Als die man vandaag niets van zich laat horen, kun je die ook nog kiezen. Kijk ze staat daar.” De jongen wijst naar een kooi die een eindje naar achteren geschoven is en ze staat oog in oog met het leukste en liefste katje dat ze ooit gezien heeft. Pikzwart, met een wit befje en een piepklein wit topje op zijn staart, dat ze trots in de lucht steekt als ze loopt. “Wil je haar even op schoot?” vraagt de jongen. Hij loopt naar de kooi om het katje eruit te halen.
 
Weet je wat het is? Het lijkt wel of ik nooit verzadigd raak. Formaat muis heb ik nu wel gehad, ik wil groter. Ik woon in een rustige, katrijke buurt. Maar om nou de kat van de buurman te kidnappen, daar voel ik niet zoveel voor. Ik wil geen ruzie met de buurt. Ik sta bekend als een nette man met een goede baan.
Hiernaast hebben ze een dikke rooie. Vaak ligt hij te zonnen op de schutting. Wat zou ik hem graag aan een barbecue-pen rijgen en boven een vuurtje houden. Zijn groene oogjes zou ik willen uitlepelen.
Vorige week ben ik bij het asiel wezen kijken. Het water liep me in de mond. Een van die mormels was zwart maar het leek wel of Onze Lieve Heer een paar stukjes was vergeten zwart te schilderen. Er schoten meteen vijf verschillende manieren door mijn hoofd om die laatste witte plukjes zwart te maken. Met een gasbrandertje bijvoorbeeld. De jongen die de hokken schoonmaakte, zag me kijken. “Lief beestje hè?” zei hij. Ik knikte. “Die wil ik wel”, zei ik schor. De jongen keek me aan met een vragende blik. Zo van: deug jij wel? Nu moest ik het niet verknallen. Die kat wilde ik hebben, hoe dan ook. “Denk er even over na”, zei hij doodleuk. “Na een week weten mensen het vaak echt zeker. Ik houd hem voor je vrij.”
Hoe ben ik de week doorgekomen? Overdag heb ik mijn werk, ‘s nachts mijn fantasieën. Ik droomde van brandende katten, bloedende muizen en kikkers volgepompt met water.
Uitgeput en met een droge mond word ik wakker, nog rillend van genot. Meteen weet ik dat het zaterdag is, de dag waarop ik mijn nieuwe speeltje ga halen. Ik grinnik hardop bij de gedachte dat het arme beest nu nog geen idee heeft van wat hem allemaal boven het hoofd hangt.
Als ik bij de kooien van de katten kom, zie ik dat er nog iemand is die van katten houdt. Ze zit op het bankje en zegt dat ze op me gewacht heeft. Ik kijk haar onnozel aan. “Op mij?” Ze heeft een vriendelijk gezicht, groene ogen en een bos rood haar. Ze doet me denken aan de kat van mijn buurman. Misschien moet ik haar ook maar meenemen naar huis. Dat kan echt leuk worden.
 
Ze heeft besloten nog even te wachten. Als degene die de poes wilde hebben zich niet bedacht heeft, zal hij zo wel komen om haar op te halen. Misschien kan ze hem overhalen haar toch niet te nemen. De poes ligt heerlijk op haar schoot te snorren.
De man die deze poes heeft uitgekozen, moet dezelfde smaak hebben als zij, bedenkt ze. In ieder geval wat de keuze van een kat betreft. Zou hij ook last van muizen hebben? “Hee, klein zwartje, ben jij een beetje goed in muizen vangen?” Het beestje rekt zich tevreden uit. Ze kletst nog lekker even door. “Ach, toe maar, beestje. Wie is die man die jou ook zo leuk vindt?”
“Herman!” klinkt het opeens. “Aangenaam.” Ze kijkt op en even later schudt ze de hand van de knapste man die ze ooit ontmoet heeft. Hij heeft een stevige handdruk. Ze besluit dat ze de nieuwe baas van haar zwarte katje wel eens beter wil leren kennen.
  
ISBN: 978-90-78215-74-5

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002