Tijdreiziger

Tijdreiziger
Ik kijk op mijn horloge. Bijna acht uur al. Ik duw harder tegen de trappers. Regen striemt in mijn gezicht. Een plastic zak dwarrelt met een sierlijke boog over een passerende auto. Ik zie het maar registreer het nauwelijks. Over tien minuten ben ik op mijn werk. In gedachten bereid ik de besprekingen van vanmorgen voor, bedenk waarop ik moet letten en wat ik wel en juist niet moet zeggen.
Ik nader een kruising. Rijen auto’s wachten tot het verkeerslicht een eindje verderop op groen springt. Verdorie, stomme ochtendspits! Het lijkt wel of iedereen met de auto gaat als het zulk weer is. Moeizaam wring ik me met mijn fiets voor een bus langs. Dan trekt de rij auto’s weer op. Het voorwiel van mijn fiets boort zich razendsnel tussen een auto en de bumper. De schok rukt mijn handen van het stuur en lanceert me. Een seconde later vlieg ik door de lucht, als een lege plastic zak. Op het moment dat ik op de motorkap klap en mijn hoofd zich in het voorraam van de auto boort, verlies ik mijn bewustzijn. Heel even voel ik een stekende pijn onder mijn schedeldak. Alsof er een bom ontploft. Dan niks meer.

“Weet u hoe u heet?” “Wanneer bent u geboren?” Ik geef de agent mijn naam en geboortedatum. Hij houdt mijn hoofd met zijn beide handen vast. Ik lig op een brancard. Ik hoor een sirene. “De auto!”, zeg ik. “Hij heeft hem aangereden met de auto.” De politieman fronst. “Ú ben aangereden”, zegt hij. Ik? Welnee. Ik wil hem tegenspreken maar alles wordt weer wazig.
Ik zit in de zandbak, vlak naast de heg, helemaal achter in onze tuin. Ik bouw een kasteel. Gisteren ben ik vier geworden. Naast ons woont Wim. Wim studeert. Hij heeft geen zandbak in zijn tuin, maar heel hoog gras. Wim zit druk te praten met een vriend. Hun stemmen worden steeds luider.
Ik maak een torentje midden op het kasteel. Het is een prachtig bouwwerk, met op alle vier de hoeken een toren en een klein torentje helemaal in het midden, bovenop het dak. Ik doe een stapje achteruit om eens goed te kijken. Ik leun met mijn rug tegen de heg.
Wim en zijn vriend schreeuwen nu tegen elkaar. Nieuwsgierig gluur ik door het gat in de heg. Ze rollen vechtend door het hoge gras. Het haar van Wim is knalrood. De vriend heeft een donkerpaarse hals. Ik vind de vriend niet aardig. Op de tuintafel staan lege bierflesjes.
Opeens staat de vriend op en sist: “Bekijk het verder maar! Mij zie je hier niet weer.” Met grote passen beent hij de tuin uit, het landweggetje op. Ik loop naar ons hekje en zie hoe hij in een auto springt. Hij start de motor en geeft vol gas terwijl Wim hem achterna rent.

De brancard waarop ik lig, wordt de ambulance uit gereden, een brede, witte gang in. Het is mistig. Door een waas zie ik verplegers of artsen in hun witte jassen. Een gezicht vlak boven de mijne. Ik zie een paarse wijnvlek in zijn hals. Hij betast mijn voorhoofd. “Au!’, fluister ik. Hij mompelt iets tegen een andere witte jas, die meteen begint te schrijven.
Hij drukt tegen mijn schouder en zegt: “Doet dit pijn?” Ik voel me moe. Zo onbeschrijfelijk moe. De wijnvlek klopt zachtjes tegen mijn sleutelbeen. Ik sluit mijn ogen.
Ik hoor een enorme klap. De aarde trilt. Wim komt op motorkap van de auto terecht. Ik rek me iets uit zodat ik over het hekje kan kijken. De vriend zit achter het stuur. Er parelen zweetdruppels op zijn voorhoofd. In zijn paarse hals zie ik een ader op en neer gaan. Verder beweegt er niets. Alleen de lucht trilt van de hitte. Het is doodstil.
Dan rijdt de auto slippend een paar meter achteruit. Wim rolt van de motorkap en valt op de weg. De auto stopt precies voor ons hekje. Even staart de vriend me dreigend aan. Dan draait hij langzaam het autoraampje open. “Jij daar!”, zegt hij langzaam en wijst naar me. Ik vind hem eng. “Je hebt niks gezien. Dit is niet gebeurd. Snap je?” Ik knik. Dit is niet gebeurd.
Hij scheurt weg. Het is weer doodstil. Ik loop naar de zandbak en begin aan de ophaalbrug. Dit is het mooiste kasteel dat ik ooit heb gemaakt. Met vijf torens en een ophaalbrug. Het is 1987.

“Welke datum is het?” “Januari 2014”, zeg ik. “De hoeveelste weet ik niet.” De wijnvlek knikt. “Weet u wat er is gebeurd?”, vraagt hij en vervolgt meteen: “U hebt een ongeluk gehad. We gaan even een scan maken. Een hersenschudding hebt u in elk geval en minstens drie botbreuken in uw hoofd. U mag blij zijn dat u nog leeft.” Hij draait zich om. Het geluid van zijn voetstappen sterft langzaam weg. Het is stil.
Ik ben alleen. Fanatiek graaf ik een gracht om mijn kasteel. Ik durf niet meer naar het hekje. Wim staat vast weer op en loopt zijn tuin in. Er is geen geluid te horen. Zelfs de vogels houden hun adem in.
Mijn kasteel is klaar maar ik vind er niks meer aan. Ik ga naar binnen en vraag mijn moeder of ze me wil voorlezen. Ze trekt me op schoot. “Ben je moe lieverd?”, vraagt ze. “Je ziet bleek.” Later komen de politie en een ambulance en heel veel buren.

“U ziet er naar omstandigheden goed uit”, zegt de wijnvlek. Het is drie maanden na mijn ongeluk. Hij bestudeert mijn littekens en beklopt hier en daar mijn botten. Het is warm. Ik zie hoe een ader klopt in zijn hals, onder zijn paarse wijnvlek. Dit heb ik eerder gezien. Ik kijk hem scherp aan en vraag: “Kende u toevallig Wim van Duren?” Het gezicht boven de wijnvlek verbleekt.
“Hij was mijn buurjongen”, vervolg ik terwijl ik hem strak blijf aankijken. “Op een dag lag hij dood op de weg. Zeventien jaar geleden gebeurde dat. De dader hebben ze nooit gevonden.”

ISBN:978-94-90834-73-9

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002