Voor het leven

Voor het leven
Ze slikt het rotgevoel in haar keel weg en mompelt: “Wat heb ik er een puinhoop van gemaakt.” Door een kier tussen de gordijnen ziet ze hoe Agnes een blok hout in de kachel gooit, het vuur nog eens opport en naar de tafel loopt om een glas rode wijn in te schenken. Ze huivert. Ze is koud, bang en nat. Hagel klettert tegen de ramen.
Een auto rijdt de straat in. Ze duwt zichzelf in de klimop tegen muur. Tergend langzaam gaat de auto voorbij. Ze hoeft niet te kijken om te weten wie erin zit. Pas als de rode achterlichten verdwijnen om de hoek van de straat voelt ze hoe haar spieren zich weer ontspannen.
Ze zucht. Er moet iets gebeuren. En als iemand haar kan helpen, is het Agnes. Ze stapt uit de klimop, loopt naar de voordeur en belt aan. Het duurt even voordat ze gerommel hoort. Het raampje in de voordeur is van spiegelglas. Ze ziet haar eigen gezicht. Geblondeerd haar, doorgelopen oogschaduw en mascara, een kleddernat bontje om haar schouder. Niet meteen de leukste outfit om een oude vriendin op te zoeken na al die jaren.
De deur zwaait open. Agnes lijkt nauwelijks veranderd. Grote, donkerbruine ogen, zwarte krullen en de rustige, warme uitstraling die ze zich herinnert van vroeger. Al vanaf de tijd dat ze peuters waren, is Agnes degene op wie ze altijd kan terugvallen. “Wil?” Agnes lijkt niet te kunnen geloven dat zij het is. Ze haalt haar schouders op en knikt. “Wil!” Ze vliegen elkaar om de hals. In de verte klinkt het geluid van een auto die langzaam de straat in rijdt.
“Snel de deur dicht”, fluistert ze. Met een resoluut gebaar duwt ze Agnes naar binnen, sluit de deur achter hen en schuift de ketting erop. De auto rijdt opnieuw voorbij.
 
Met een glas rode wijn in de hand zitten ze op het kleed voor de kachel. In de joggingbroek en dikke trui van Agnes voelt ze zich langzaam warm worden. Bij het meedogenloos felle licht in de badkamer heeft ze tevergeefs geprobeerd haar gezicht wat op te poetsen. Haar droge, geblondeerde haar en de grauwe kleur op haar gezicht geven haar het uiterlijk van een hoer.
Pas bij de vlammende kachel voelt ze dat ze een beetje rustiger wordt. Vragend kijkt Agnes haar aan. Waar moet ze beginnen? “Ik zit in de puree”, zegt ze. “Het is gierend uit de hand gelopen. Het is een kwestie van tijd, maar ik ga eraan.”
De bruine ogen van Agnes lijken nog iets donkerder te worden, terwijl ze haar vriendin vragend aankijkt. Hun contact was wat verwaterd. De laatste keer dat ze elkaar hebben gesproken, is alweer drie jaar geleden, toen ze een feest gaf omdat ze haar bul had behaald. Ze was cum laude geslaagd.
“Op dat feest is de ellende begonnen”, zegt ze nu. “We zijn de stad in gegaan om flink door te zakken. Ik werd wakker in een vreemd bed op een vreemde kamer met een vreemde vent naast me en ben er vandoor gegaan voordat hij ook wakker werd.” Ze neemt een slok van haar wijn.
 “Maar hij heeft me gevonden en liet me niet weer los. Eerst chanteerde en bedreigde hij me maar al snel veranderde er iets. Ik leek wel gek! Ik werd verliefd op hem. En niet zo’n beetje ook. Op het laatst kon ik geen uur meer zonder hem. Het was heel eng.”
“Jij?”, zegt Agnes verbaasd. “Verliefd?” Ze lachen. Agnes was vanaf de basisschool bijna voortdurend verliefd geweest. Zoveel vriendjes als Agnes had versleten, zo weinig had zij er gehad. “Ik ben niet geboren voor de liefde”, had ze vaak gekscherend gezegd. Met haar studie liep het als een trein, al deed ze er nauwelijks moeite voor. Bij haar vriendin was het net andersom. Als vanzelf viel Agnes van de ene romantische relatie in de andere, terwijl haar schoolcarrière maar moeizaam verliep. Toch was het altijd Agnes geweest die ervoor zorgde dat dingen niet uit de hand liepen. ‘Mijn beschermengel’ noemde Wil haar vaak.
 
“Hij had me volkomen in zijn macht”, gaat ze verder. “Ik stal, dealde en hing de hoer uit. Alleen maar om hem te pleasen. Drie jaar heeft het geduurd. Ik deed alles wat hij wilde, had niks meer van mezelf.” Ze zwijgt even, gaat rechtop zitten en vervolgt: “Opeens was ik er klaar mee, zag ik wat hij deed. Ik ben gevlucht. Dat is nu drie maanden geleden.”
Agnes schenkt de glazen bij en een hele poos staren ze zwijgend naar de vlammen. “Wil?”, vraagt Agnes tenslotte. “Hoe kan ik je helpen?” Ze haalt haar schouders op en begint onbedaarlijk te snikken. “Weet ik niet”, brengt ze uit. “Ik wil geen hoer zijn. Ik ben voortdurend op de vlucht. Maar wat moet ik dan?”
Op dat moment klinkt de voordeurbel. Ze duikt in elkaar, herstelt zich meteen, springt op en rent naar de keuken. Met een vleesmes in haar hand komt ze de kamer weer binnen en blijft doodstil staan. Weer snerpt de bel, nu langer en dwingender. Iemand beukt op de voordeur en kleppert met de brievenbus. Resoluut stapt ze de hal in. “Wat moet je?”, roept ze door de deur heen. “Laat me met rust!”
De man aan de andere kant van de deur begint te praten. Zacht, maar net luid genoeg zodat ze kunnen verstaan wat hij zegt. “Doe de deur eens open, lieverd. Je bent in de war. Laat me je helpen.” Terwijl hij praat, schuif ze zachtjes de ketting van de deur en draait onhoorbaar het slot open terwijl ze met haar andere hand het vleesmes boven haar hoofd brengt. Met een ruk trekt ze de deur open en laat het mes neerkomen.
“Nee Wil!”, gilt Agnes. “Niet doen!” Op het moment dat het mes naar beneden schiet, duikt Agnes resoluut naar voren en duwt de man achteruit. Ze ziet hoe het mes zich in de nek van haar vriendin boort voordat Agnes kreunend op de grond valt.
 
ISBN: 978-94-90834-24-1
          

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002