WOII

Van hakenkruizen tot leskisten
Je hebt herinneren en herinneren. De een zoekt nieuwsgierig naar verhalen achter voorwerpen. De ander benadert het verleden, meer wetenschappelijk, door onderzoek te doen aan de hand van verhalen. Twee benaderingen die elkaar goed aanvullen. Blad ging kijken in het Oorlogsmuseum Middelstum en bij het Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen. 

Bevlogen vertelt hij over zijn hobby: alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft in de provincie Groningen en dan vooral aan de Duitse kant. Ties Groenewold(28) uit Middelstum heeft de oorlog dan wel niet meegemaakt, hij praat erover alsof hij er zelf bij was. ‘Die interesse is er al zolang ik me kan herinneren’, vertelt hij. ‘Geschiedenis vind ik sowieso interessant. Dus nadat ik op weg naar groep twee van de basisschool vlakbij de kerk hier in het dorp een muntje van twee en halve cent uit 1906 vond, liep ik elke dag minstens een rondje om de kerk in de hoop er nog meer te vinden.’Met zijn vriendjes speelde hij vaak soldaatje en wilde dan altijd de vijand zijn. ‘We hadden soldaatjes met groene en grijze uniformen, Nederland tegen Duitsland, en ik koos altijd voor de grijze.’ Dat had niets te maken met het gedachtengoed van Adolf Hitler. Wat Groenewold imponeerde, waren vooral de uniformen, insignes, wapens en alle materialen die erbij hoorden.‘Bij ons op zolder lag nog een oude soldatenhelm. Die fascineerde me heel erg.’ Gedurende zijn jeugd speelde hij soldaatje, keek oorlogsfilms en verzamelde hulzen. Hij luisterde geboeid naar de verhalen van zijn vader over die tijd. ‘Al waren er binnen mijn familie maar weinig oorlogsverhalen bekend, hoor’, voegt hij eraan toe.

Bunkermuseum
Ook bunkers vond hij geweldig interessant. In 2011 richtte hij het Bunkermuseum Den Helder op. De bunker, eigendom van de Stichting Stelling Den Helder, die al bestaat sinds 1989, was ooit een verblijf voor zevenentwintig mariniers. Vierentwintig marine soldaten, twee onderofficieren en één officier. Samen met zijn kameraad Paul Dijkstra en zijn broer Jacob vatte Groenewold het plan op om een expositie te ontwikkelen over de Atlantikwall, de meer dan vijfduizend kilometer lange Duitse verdedigingslinie, waarvan ook een stukje in Den Helder. Ze maakten de bunker toegankelijk voor publiek en richtten de tentoonstelling in.
Ondertussen bleef thuis in Middelstum zijn verzameling oorlogsspullen groeien. En niet alleen spullen, ook verhalen kwamen er steeds meer. Want Groenewold is een goede luisteraar. ‘Elk voorwerp heeft een verhaal’, zegt hij. ‘En daarachter komen dan vaak weer nieuwe voorwerpen en verhalen vandaan.’ Hij ‘struunt’ regelmatig met zijn metaaldetector door de provincie, bezoekt rommelmarkten, surft op veilingsites en kent inmiddels heel veel mensen die op de een of andere manier iets met de Tweede Wereldoorlog te maken hebben.

Sinds 18 april 2015 is zijn verzameling een heus museum. ‘Alles lag vol oorlogsspullen. De zolder, mijn slaapkamer en, nadat hij het huis uit was, ook die van mijn broer’, vertelt hij. ‘Toen heb ik de grote schuur naast ons huis ingericht als museum.’
Voor Groenewold komt daar alles samen. ‘Ik heb alleen al drie- tot drieënhalf duizend ongepubliceerde foto’s die in de provincie Groningen zijn gemaakt’, vertelt hij trots. Door de manier waarop hij met de spullen omgaat, wordt hem vaak iets bijzonders gegund. Hij vertelt hoe de zoon van Eduard Schulz hem een fotoalbum kwam brengen. Schulz senior was gedurende de eerste helft van de oorlog als militair in Delfzijl gestationeerd en sneuvelde uiteindelijk vlak voor de bevrijding in Frankrijk. ‘Ik kwam via via in contact met Schulz junior’, legt Groenewold uit. ‘Samen met die tussenpersoon kwam hij, vanuit Leer, het album brengen. En hij vertelde me het achterliggende verhaal over zijn vader.’ Door de manier waarop Groenewold vervolgens dat verhaal uit de doeken doet, verandert Eduard Schulz van een Duitse soldaat die we nooit hebben gekend in een man van vlees en bloed.

Duitser in het Verzet
Ook het combineren van zaken helpt Groenewold vaak verder. ‘Soms krijg ik een foto in handen waarop iemand staat afgebeeld van wie ik ook een foto heb op een andere plek’, vertelt hij. ‘Als ik er op zo’n manier achter kom hoe dingen gegaan zijn, dat is écht geweldig!’
Het lukt hem om verhalen compleet te krijgen en daarmee echte mensen te maken van de anonieme soldaten en verzetsstrijders. Hij wijst op de zangboekjes, waarmee de Duitse soldaten zich vermaakten en op de Delftsblauwe bordjes met opschriften als ‘Batterie Ameland’, ‘Batterie Schiermonnikoog’ en ‘Abschnitt Friesland’. Souvenirs voor het thuisfront. Ook bestek en serviesgoed, kranten en brieven tonen dat de Duitse militairen gewoon mensen waren, met ieder hun eigen levensverhaal.   
Verhalen zorgen niet alleen voor begrip, maar ook voor deskundigheid. ‘Ik kan wel ongeveer zien of een uniform echt is, maar ik heb geen verstand van de materialen waarvan ze zijn gemaakt’, zegt hij. ‘Inmiddels heb ik een groot netwerk van mensen die aan de hand van de kwaliteit van de stof iets kunnen zeggen over het uniform. En ik weet wel wie betrouwbare handelaren zijn.’

Bijzonder is het verhaal van Hans Anton Sauerborn, de Duitser die op zijn negentiende naar Groningen verhuist voor de liefde. Hij begon een kleermakerij. In 1938 meldde hij zich aan bij het Nederlandse leger, maar mocht niet in dienst omdat hij al zevenentwintig was. In 1942 riep het Duitse leger hem op om te vechten in Rusland. Doordat hij gewond in een Pools ziekenhuis werd opgenomen, kwam hij in contact met een legereenheid waarvan een deel in Groningen was gestationeerd. In ruil voor het maken van een officierspet mocht Hans daar naartoe. Terug in Groningen hielp hij, als Duits militair, het Nederlandse verzet. Uiteindelijk moest hij onderduiken en gedurende de laatste maanden van de oorlog vocht hij bij de Binnenlandse Strijdkrachten, waarbij zijn ervaringen als Duits soldaat heel handig waren. Na de bevrijding werd hij onderscheiden. ‘Zijn zoon Marius gaf me de oorkonde en het speldje van die onderscheiding’, zegt Groenewold. ‘En ook vervalste persoonsbewijzen, distributiestamkaarten, oorkondes, duikkaarten, brieven en andere documenten.’

Veel hakenkruizen
Een klein deel van zijn materiaal heeft Groenewold verzameld in zijn boek Flugwache Warffum. Daarin beschrijft hij de historie van een kleine stelling van de Luftwaffe in Warffum. ‘In het boek staan veel foto’s’, zegt hij lachend. ‘Dat past beter dan veel tekst, zowel bij het onderwerp als bij mij.’ In het boekje staan, behalve verslagen, heel veel authentieke foto’s, plattegronden, kaarten en bodemvondsten. Ook dat boekje leverde hem iets bijzonders op. ‘Meneer Hamster uit Warffum belde me om te vertellen dat hij nog een onderstel van een zoeklicht had. Hij bewaarde zijn gereedschapskist daarop. Als ik voor een goed plekje voor dat gereedschapskist zorgde, mocht ik het onderstel komen halen!’ Mijn vader heeft een tafeltje gemaakt voor de gereedschapskist.
Het museum bevat veel hakenkruizen, wat toch wel beladen afbeeldingen zijn. Hoe reageren bezoekers? ‘Sommige mensen hebben er inderdaad moeite mee’, zegt Groenewold. ‘Maar het hoort nu eenmaal bij deze verzameling. De Nederlandse uitingen van de oorlog verzamel ik ook wel, maar daarvan zijn er veel minder. Dus, ja, het is wel logisch dat er veel hakenkruizen zijn afgebeeld.’ Toch is hij op een bepaalde manier terughoudend. ‘Ik heb totaal geen behoefte aan grote afbeeldingen van een hakenkruis,’ zegt hij. ‘Een grote vlag met het kruis erop bijvoorbeeld, die wil ik hier niet hebben.’

Veel minder hakenkruizen zijn te vinden in het Oorlogs- en Verzetscentrum (OVCG) in Groningen, waar verzetsman Bob Houwen na de oorlog is begonnen met inventariseren wat het Verzet allemaal had gedaan. Geboren Stad-Groninger Bob Houwen was 27 jaar oud toen de oorlog uitbrak in Nederland en werkte toen als vertegenwoordiger bij Bruynzeel in Zaandam. Tot de capitulatie in mei 1940 was hij onderofficier in het Nederlandse leger. Toen de Duitse bezetter hem in 1943 beval zich te melden, dook hij onder. Hij riep andere Nederlandse ex-militairen op ook onder te duiken. Houwen regelde onderduikadressen en was vanaf dat moment verzetsstrijder. Onderduikers hadden persoonsbewijzen, stempels en bonkaarten nodig en Houwen zorgde dat die er kwamen. Niet alleen voor de ondergedoken militairen, maar ook voor Joodse onderduikers. Hij kwam in contact met andere verzetsgroepen en speelde een belangrijke rol in de contacten tussen de Nederlandse regering in ballingschap in Engeland en het noordelijk verzet. Twee keer werd hij gearresteerd en beide keren ontsnapte hij. In 1944 werd hij na twee mislukte pogingen bevrijd door vrienden in politie-uniformen en vlak voor de bevrijding ontsnapte hij op eigen houtje. 

Onderzoek en leskisten
Na de oorlog verzamelde Houwen zoveel mogelijk gegevens over het verzet in de stad Groningen en in de provincie en richtte het OVCG op. Hij maakte systeemkaarten met daarop informatie over verzetsmensen. Op 28 november 1982 overleed Bob Houwen.
‘Inmiddels hebben we zo’n zesduizend kaarten met informatie over verzetsstrijders’, vertelt historica Anna van der Molen, coördinator van het OVCG. Zij studeerde in Amsterdam af op de Holocaust en beheert het archief met de kaarten en andere documenten en het depot waarin de stichting voorwerpen bewaart.
Van der Molen benadrukt dat het OVCG geen museum is. ‘Ons doel is meer om mensen verder te helpen bij onderzoek’, zegt ze. ‘Mensen die onderzoek doen naar hun familiegeschiedenis of willen weten wat er in de oorlog met een buurmeisje is gebeurd, maar ook bij promotieonderzoeken kunnen we vaak helpen. Honderden mensen per jaar weten ons te vinden. Ze kunnen in de studiezaal van de Groninger Archieven alle openbare documentatie zonder afspraak inzien en op afspraak help ik ze graag verder. Ook het ondersteunen en ontwikkelen van materiaal voor het onderwijs is een belangrijke activiteit van het OVCG.’ Meer nog dan bij een museum lijkt de nadruk te liggen op brede kennis van het onderwerp. Van der Molen verwijst mensen wel door naar musea zoals het Oorlogsmuseum Middelstum.

‘Ik probeer de collectie zo toegankelijk mogelijk te maken’, zegt ze. ‘Toen ik drie jaar geleden bij het OVCG kwam werken, werd er behalve het beschikbaar stellen voor onderzoeksdoeleinden en ondersteunen bij educatie niet zoveel mee gedaan. Nu richten we in het Noordelijk Scheepvaartmuseum eens per twee jaar een tentoonstelling in en onderwijs is nog steeds belangrijk.’ Ze noemt de educatieprojecten, waarbij leerlingen van de hoogste groepen van het basisonderwijs praten met ooggetuigen, mensen die de Tweede Oorlog nog hebben meegemaakt, films bekijken en stadswandelingen maken. Het OVCG ontwikkelt ook lesmateriaal voor basisscholen en voor het voortgezet onderwijs, zoals leskisten voor in de klas en digitaal materiaal. Op de website wwwcollectiegroningen.nl, die wordt gevuld door de samenwerking van alle erfgoedorganisaties in de provincie Groningen, staan negentien foto’s van voorwerpen van het OVCG met hun verhaal.

Niet weggooien
Wat Van der Molen betreft is de collectie nog lang niet uitgegroeid. Regelmatig verschijnt er een nieuwe documentaire over een thema uit de Tweede Wereldoorlog in Groningen dat de stichting laat maken door Liefke Knol Film & Media. En elk jaar houdt het OVCG op 3 mei de actiedag ‘Niet weggooien’, waarop mensen objecten of documenten kunnen brengen. ‘Dat kan trouwens het hele jaar door’, licht ze toe. ‘Jaarlijks komen er nog tientallen stukken bij.’

Zowel het OCVG als het Oorlogsmuseum Middelstum zorgen dat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend blijft. ‘De herinneringen aan de oorlog zijn natuurlijk niet voor iedereen hetzelfde’, nuanceert Van der Molen. ‘Binnen het OCVG discussiëren we dan ook regelmatig over het precieze doel en wat een goede manier is om belangrijke waarden te formuleren.’
Het Oorlogsmuseum Middelstum vindt u aan de Oude Schoolsterweg 24 in Middelstum. Telefoon: 06 27 55 39 67.et Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen is gevestigd bij de Groninger Archieven, Cascadeplein 4 in Groningen (www.ovcg.nl). Telefoon: 050 599 20 27

(Gepubliceerd in Blad)

Gonneke Bonting| gonneke@gonnekebonting.nl |0651462002